Een bijdrage aan complexiteit

Een bijdrage aan complexiteit

Een idee dat reeds sinds mijn tienerjaren zijn plaats gevonden heeft in mijn gedachtengoed: onze soort is zo talrijk en divers en heeft samen reeds zo’n diversiteit aan situaties beleefd gedurende talloze jaren dat al mijn persoonlijke gedachten vermoedelijk reeds in essentie en hoeveelheid reeds bestaan heeft in al die soortgenoten. Wat rest mij hieraan bij te dragen dan herhaling? Het lijkt wel of ik in de kern sterker op zoek ben naar uniciteit – en daarmee bestaansrecht – dan geluk.
Een andere gedachte die vandaag mijn geest oplichtte – mogelijks niet enkel in de letterlijke betekenis – kan ruwweg als volgt worden samengevat: ervan uitgaande dat de complexiteit die de menselijke geest kan bevatten beperkt is tot de complexiteit van de fysieke structuur van de hersenen, hierbij de menselijke geest beschouwend als een emergent resultaat van de complexiteit van diezelfde hersenen, is het zeer onwaarschijnlijk dat de mens ooit de volledige complexiteit van zijn leefwereld, het zogenaamde universum, zal kunnen bevatten; temeer gezien dat universum die observerende mens zelf bevat en dus overschrijdt in complexiteit.
Dit zou betekenen dat indien het universum een complexiteit bezit die wezenlijk groter is dan een van zijn bewoners – een niet al te vergezochte aanname – dat elk van deze bewoners gedoemd is om zijn wereld steeds slechts gedeeltelijk te bevatten en begrijpen en dat het streven naar een theorie van alles een toenemende, doch onvervulbare ambitie inhoudt. Deze redenering kan zelfs verdedigd blijven worden indien het universum slechts eindig zou zijn volgens een of ander criterium.

En plots wordt ik bevlogen door het idee om mijn hunkering en verlangen naar inzicht en begrip in de wereld en het universum vast te leggen in een boek, meteen gevolgd door de realisatie dat de wereld reeds verzadigd is; niet enkel van deze ideeën, maar verzadigd in een ellenlange lijst van opzichten; materieel, in bevolkingsaantal, in emoties, verlangens, herhaling van reeds ontelbaar gemaakte fouten en ja, ook vreugde. Een concentratie aan drukte, ego en levenswil op een doordeweekse – zij het ietwat lokaal uitzonderlijke – planeet.
Lokaal uitzonderlijk, dat lijkt ook de beschrijving van mijzelf waar ik mij maar niet bij neer kan leggen wegens de onbeduidendheid wanneer bekeken op schaal van de hele mensheid. Het heeft iets van de emotie zoals vaak beleefd door een zilveren medaillewinnaar, terwijl de winnaar van brons zich wél gelukkig prijst zich op het podium te bevinden.

De vraag of het universum eindig, dan wel oneinig is, zou je ook als volgt kunnen benaderen. Ervan uitgaande dat het universum op elk gegeven tijdstip slechts eindig is, zou betekenen dat wij, waarnemers van binnenuit, de complexiteit ervan zouden kunnen bevatten, althans in principe. Echter, zodra we de complexiteit van het universum op een gegeven moment bevatten, hebben we de complexiteit in onze hersenen laten toenemen, waardoor het universum in zijn geheel – met onze hersenen als onderdeel – is toegenomen in complexiteit. Op deze manier is onze zoektocht naar een theorie van alles gedoemd om nooit te eindigen, met die zoektocht zelf als oorzaak – of een van de oorzaken – van ons falen daarin. Hierin zit ook een potentiële oneindigheid (is there any other kind?) vervat waarvan de toename wijst in de richting van de tijd en toenemende complexiteit. Een soort navelstaarderij waarbij het staren zelf veroorzaakt dat de kijker geboeid blijft. Maar in essentie is er niets – extern aan de waarnemer, maar intern aan het universum – nieuws meer te ontdekken dan onze eigen ontdekkingstocht. Als surfen op een golf om vooruit te geraken, maar er niet voorbijgeraken. Een eindeloze inhaalrace, zoals de jacht achter je eigen staart die je in beweging houdt.
Voor zover ik zie zijn alle concepten van oneindigheid geconstrueerd op basis van potentiële oneindigheid, onuitputtelijkheid. En die potentiële oneindigheid, bijvoorbeeld de natuurlijke getallen, is geconstrueerd op basis van eindigheid en herhaling of een soort recursie. Die leidt wel tot toenemende complexiteit, maar in zekere zin voegt die niets wezenlijk nieuws toe, behalve meer van hetzelfde.
Het wonderlijke is dat deze schijnbare herhaling toch leidt tot interessante toegenomen structuren en hogere complexiteit, zoals we dat noemen. Wat we precies met complexiteit bedoelen is dan weer een goede vraag, maar stuit op de grenzen van onze taal en geest.
De mens is in staat om “complexe” – samengestelde – concepten te bevatten als een “eenheid”, waardoor verschillende vormen van complexiteit kunnen worden gedefinieerd in – al dan niet wiskundige – taal. Hierdoor kennen we nu andere vormen van oneindigheid, als potentie of verzameling en in al dan niet geordende gradatie van toenemende “grootte”. Cantor heeft ons hierin ver gebracht, maar ik kan mij niet ontdoen van de gedachte dat dit ook de oorzaak was – alleszins, een van de voorwaarden, al dan niet de belangrijkste – van zijn chronische depressies.

Leave a Reply

Your email address will not be published.